KLIK HIER VOOR INFORMATIE
OVER DE SITE

COLUMNS

Over belevenissen en inzichten

CLICK HERE FOR
THE PARENT SITE
and SITE SEARCH


Een hachelijke toestand voor een eendenkuiken

Tussen de planten in onze voortuin zagen wij ineens iets fladderen. Het was op een zondagochtend en het was erg rustig in onze straat. Geen mens, maar ook geen dier te bekennen. Maar wel was er ineens dat eendenkuiken. En het was bang, dat leed geen twijfel, want het fladderde min of meer tegen de planten in onze tuin op. Mijn vrouw en ik spoedden toen zo snel wij konden naar buiten, naar onze voortuin toe. Het was evident, het jonge eendje was in groot gevaar. Blijkbaar was het meegenomen door een kat. Een kat die wij niet zagen, maar die naar ons beider vermoeden het kuiken in haar bek had meegenomen richting de voortuin van ons en van onze buren. De afstand tot de dichtsbijzijnde vaart bedroeg zo'n 400 meter. En op die betreffende afstand van de vaart zijn anders nooit eendenkuikens waar te nemen. 'Die kat heeft het eendenkuiken blijkbaar moedwillig ergens in de buurt van onze tuin gedeponeerd. Het moet dan ook een kat van één van de buren zijn geweest', concludeerden wij. 'Want katten brengen hun prooi immers altijd naar huis toe'.

Enfijn, wij besloten "simultaan" het kuiken te gaan redden. 'Die kat zit hoogstwaarschijnlijk nog ergens onder de planten verstopt', dachten wij beiden. Wij wisten dat huiskatten vaak niet meteen gaan zitten peuzelen aan een door hen gevangen prooidier. Dat doen ze blijkbaar enerzijds uit speelsheid, maar anderzijds ook uit onkunde. Huiskatten hebben in zo'n situatie vaak niet eerder met dat bijltje gehakt. Het doodbijten van een dergelijk prooidier stellen zij dan ook best een flinke tijd uit. En ja, dat valt ook wel te begrijpen. Want als zij zo'n fladderend beestje doodbijten, is voor hen de lol er meteen af. Bovendien, huiskatten zijn vaak dermate goed doorvoed, dat ook honger bij hen geen enkele drijfveer is om tot die resolute daad te besluiten.

Toen wij eenmaal in onze voortuin waren aangekomen, konden wij het eendenkuiken gemakkelijk vangen. Uiteraard beleefde dat kuiken daar minder plezier aan dan wij beiden. Want zij wist natuurlijk niet dat wij haar geen vlieg kwaad zouden doen. Wij namen het kuiken vervolgens mee naar binnen. 'Maar ja, wat doe je vervolgens met zo'n jong eendenkuiken in je livingroom, of in je kitchen?', vroegen wij ons af. Voordat wij in de gauwigheid wisten wat wij er mee aan moesten, besloten wij al even simultaan als bij het besluit het dier te redden, om het bad in de badkamer vol te laten lopen, zodat het eendenkuiken daarin lekker onbevreesd zou kunnen dobberen. Maar dat bleek al gauw geen al te goed plan te zijn geweest, want nu ging zij in volle vaart rondzwemmen in het bad. En onderwijl piepte zij luidkeels en onophoudelijk. Dus opnieuw: 'wat moesten wij toch aan met dat toch nog zo jonge dier?'

Gelukkig hadden wij een dierenartsassistente in onze kennissenkring. En hoewel wij in de verste verte niet hadden verwacht dat de omgang met jonge eendenkuikens tot haar persoonlijke expertise zou behoren, wist zij ons toch wel direct van goed advies te voorzien. "Breng haar maar naar de dichtsbijzijnde vaart' zei zij. 'Grote kans dat de moedereend, op zoek naar haar verloren jong, daar nog wel ergens rondzwemt. En waarschijnlijk heeft die moedereend ook nog wel meer eendenkuikens onder haar hoede'. Toen wij bij de betreffende vaart waren aangekomen, zagen wij alleen maar enkele meerkoeten en enige solitaire eenden rondzwemmen. Het eendenkuiken wat wij mee hadden genomen hield zich opvallend rustig. Ze was veel rustiger dan toen wij nog thuis waren. Althans tot aan de bocht van de vaart, want toen wij eenmaal voorbij die bocht waren, begon het kuiken meer en meer te piepen. Wij snapten niet meteen waardoor dat kwam. Verderop stonden een aantal huizen tegen de betreffende vaart aan. Wij konden dus de vaart op die plaats niet verder volgen. Maar het eendenkuiken begon nu zo luidkeels te piepen, dat wij besloten haar maar los te laten. En toen wij dat hadden gedaan, zagen wij ineens in de vaart (achter de huizen) een moedereend met een aantal eendenkuikens zwemmen. En net als het verloren gewaande kuiken begon nu ook die moedereend duidelijk hoorbare loksignalen uit te zenden.

Het was onmiskenbaar: het door ons meegebrachte eendenkuiken en de moedereend hadden elkaar opgemerkt. Maar de moedereend kwam niet naar haar pas teruggevonden eend toe zwemmen. Dat was in eerste instantie zeer opmerkelijk! Maar toch was dat achteraf geredeneerd ook wel heel logisch. Want als zij dat zou doen, moest zij haar andere kuikens een tijdje achterlaten. En dat zou niet zo verstandig zijn geweest vanwege het gevaar wat er altijd weer loert voor het jonge nageslacht van ieder levend wezen in de natuur. Zij bleef daar rondzwemmen, in de dichte nabijheid van haar andere kuikens. Het door ons losgelaten eendenkuiken was ondertussen zo snel als het maar kon, door de nabij gelegen berm heen, naar de vaart toe gelopen. En eenmaal in het water van de vaart aangekomen, begon het eendenkuiken zo snel als het kon te zwemmen. Wij keken er met verbazing naar. Nog nooit hadden wij een eendenkuiken zo snel zien zwemmen. Maar het gekke was, het kuiken zwom niet rechtstreeks naar de moedereend toe. Dat zou men wel verwachten! Nee, het eendenkuiken stak eerst recht de vaart over naar de oever aan de overkant toe van de vaart. Dat was opmerkelijk! 'Waarom doet zij dat toch warempel op die wijze?', vroegen wij ons af. 'Dat is toch niet erg verstandig?', dachten wij. 'Ze had veel beter rechtstreeks naar de moedereend en naar haar toom jonge kuikens toe kunnen zwemmen'. 'Toch was het ook wel verstandig van die moedereend', bedachten wij ons later. 'Want aldus loopt zij duidelijk minder kans om daar in die vaart door een roofdier gevangen te worden. Met name snoeken hebben het voorzien op jonge eendenkuikens. Hoe jong dit kuiken ook nog was, toch had zij blijkbaar reeds van de moedereend geleerd om de vaart op deze wijze over te steken. En niet op schuine wijze'.

Bij de overkant aangekomen klom het kuiken echter niet bij de wal op naar de berm van de vaart, maar het ging toen half zwemmend en half fladderend door de begroeiing, die daar in het water aanwezig was, in vlugge vaart naar de moedereend en haar andere jonge kuikens toe. Het kuiken had blijkbaar ook reeds van de moedereend geleerd dat dit de veiligste manier was om zich als jong kuiken in de lengterichting van de vaart te verplaatsen. In het open water van de vaart waren er immers de snoeken die voortdurend op een smakelijk hapje zaten te wachten en in de berm van de vaart kwam het gevaar duidelijk van de katten en de roofvogels. Althans dat was onze conclusie bij het aanschouwen van die actie van het jonge eendenkuiken. En uit het spoedig daaropvolgende gekwaak van de afzonderlijke eenden van die toom kon men vervolgens duidelijk ópmaken dat er óók in het dierenrijk een vorm van vreugdebeleving vóórkomt.